De korte straf heeft soms wat weg van het flesje cola uit The Gods must be crazy. In die film uit 1981 gooit een piloot een glazen flesje uit het raam van een vliegtuig. Het flesje belandt bij een stam die denkt dat het een geschenk is van de Goden.  Aanvankelijk brengt het flesje plezier en geluk: allerhande nuttige toepassingen passeren de revue.  Maar al gauw slaat de sfeer om: er ontstaat afgunst en ruzie. Het vervloekte flesje moet weg. Het hoofdpersonage in de film trekt vervolgens de wijde wereld in zodat hij het onding weg kan gooien, aan het einde van de wereld.

Van vrijheidsstraffen – zeker wanneer deze van korte duur zijn – verwachten we doorgaans niet veel: voorkomen en beperken van detentieschade staat voorop.  Dit staat in fel contrast met het optimistische vooruitgangsgeloof van negentiende-eeuwse gevangenishervormers, die de moderne gevangenis als wondermiddel aanprezen voor allerhande maatschappelijke kwalen.

De nadelen en kosten van korte straffen zijn reeds lang gekend: 150 jaar terug voerden eminente experten al geanimeerde debatten over de afschaffing van de korte straffen (zie bijvoorbeeld dit rapport uit 1872). De Nederlandse Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) wijdt er nu een rapport aan (zie hier), dat ook centraal stond op de studiedag Kort, maar krachtig?, die op 25 november 2021 plaatsgreep (de hand-out is hier beschikbaar).

De verschillen met de situatie in België vallen meteen op. Terwijl de RSJ zich zorgen maakt over een tevéél aan korte detenties, wordt in België vooral de niet-uitvoering van korte celstraffen geproblematiseerd. In Nederland duurt 74% van de detenties minder dan drie maanden.  In België worden korte straffen (tot vier dan wel zes maanden) sinds geruime tijd niet uitgevoerd. En wanneer dergelijke straffen (tot drie jaar) wel worden uitgevoerd, dan gebeurt dit doorgaans voor kortere duur en met een enkelband.  Zo kan volgens de huidige richtlijnen een effectieve celstraf van 18 maanden uitgeboet worden middels vier maanden elektronisch toezicht.  

Nemen wij, Belgen, de kritieken op korte straffen dan ter harte? Nee, de weinig transparante ingrepen in de strafuitvoering zijn doorheen de jaren gegroeid – en misgroeid – om de overbevolking in de gevangenissen te beheersen.  Vanuit rechtsstatelijk perspectief gebeurt hier iets dat hoogst bedenkelijk is: door de rechter opgelegde straffen worden door de uitvoerende macht ingekort en omgevormd, om de druk op de gevangenissen te verlichten. 

Die praktijken hebben al heel wat ministers van Justitie doen blozen. Soms volgen er dan forse aankondigingen over het einde van de straffeloosheid (zie “Natte dromen van straffe liberalen” of hier).  Maar even vaak moet men toch weer terugkomen op de viriele verklaringen. We hebben dat ook wel ‘viagrapolitiek’ genoemd: het blauwe pilletje werkt slechts kortstondig. Al snel – en schijnbaar onvermijdelijk – treden de verslappingsverschijnselen in en moet men de realiteit weer onder ogen zien (zie “Geen bericht van de Blauwe Leider”, ook hier).

De Belgische ervaringen met ‘viagrapolitiek’ wijzen op een belangrijk vraagstuk dat de RSJ niet aansnijdt in haar belangwekkende rapport: hoe komt het toch dat korte straffen, ondanks alle kritieken die we al 150 jaar horen, toch blijven bestaan?  De Belgische ervaringen leren dat kritiek op korte straffen of “middel-doel”-redeneringen (bv. effect op recidive of afschrikking) tekort schieten om de blijvende aantrekkingskracht ervan te verklaren. Hiervoor moeten we de korte straf met een ruimere, strafsociologische blik bekijken, bijvoorbeeld door de ogen van de ‘actiefunctie’ van de gevangenisstraf (zoals Thomas Mathiesen dit ooit formuleerde: gevangenissen als zichtbare symbolen om politieke daadkracht tentoon te spreiden). Of nog: in Douglasiaanse termen van ‘purity and danger’, waarbij de gevangenis in verband wordt gebracht met maatschappelijke ‘schoonmaak’-rituelen (zie bv. mijn blog post “Ship of fools: prison and the pandemic”, het werk van de Amerikaanse neo-Durkheimiaan Philip Smith, of Zygmunt Bauman over moderniteit en straf).

Een werkbare strategie gericht op de afbouw van kortdurende detenties zal daarom ook ambitieuzer moeten zijn: we moeten durven loskomen van die gerichtheid op de klassieke strafdoelen. In België zien we bijvoorbeeld dat de plannen om detentiehuizen op te richten (er zouden er vijftien komen, goed voor zo’n 720 plaatsen) ook wel op wat tegenkanting botsen. Maar misschien komt dit wel omdat de communicatiestrategie te fel gericht is op de vermeende bijdrage van dergelijke huizen op vlak van recidivebeperking?

Om een draagvlak te creëren voor dergelijke huizen moet men platgetreden paden durven verlaten. Er zou bijvoorbeeld ingezet kunnen worden op de méérwaarde van dergelijke huizen voor de lokale gemeenschappen. Waarom dergelijke vormen van kleinschalige detentie niet kaderen binnen een omvattende strategie voor klimaattransitie? (zie ook “Transitiehuizen en klimaattransitie: spot the difference”) Onze samenleving zal de komende jaren in toenemende mate nood hebben aan laadinfrastructuur. Elektrische fietsen en wagens laten opladen en onderhouden in de nieuwbakken detentiehuizen, dat zou pas een toekomstgerichte piste zijn, waar ook lokale gemeenschappen – en het klimaat – profijt bij hebben. 

Deze blog post kwam tot stand naar aanleiding van mijn deelname aan een paneldiscussie over innovatie tijdens het congres “Kort maar krachtig?” van de Nederlandse RSJ, dat op 25 november 2021 plaatsgreep.  Ik herneem in deze blog post ook een aantal ideeën uit een opiniebijdrage (“Geen bericht van de Blauwe Leider”), die op 12 november 2021 verscheen in De Standaard.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s