‘Onrust is van alle tijden’, schreef de Amsterdamse hoogleraar Jac. Van ­Weringh in 1978. Elke generatie breekt zich het hoofd over fenomenen en figuren die onrust veroorzaken en angst inboezemen. Van struikrovers tot stalkers, van godslasteraars tot ­pedofielen. Maar het lijkt wel alsof we anno 2022 een versnelling hoger schakelen: de onrust slaat heftiger dan ooit om ons heen. Het debat over ­misdaad en straf versnelt, vernauwt, verruwt, verarmt.

Wie dat debat de afgelopen tijd een beetje heeft gevolgd, kan er moeilijk omheen. Op Twitter moesten de ­rechters die de Belgische staat op de vingers durfden te tikken in de zaak ­Trabelsi het ontgelden: ‘Terroristen worden behandeld als slachtoffers, en onze slachtoffers worden niet behandeld. Stop deze waanzin!’, fulmi­neerde ­Kamerlid Koen Metsu (N-VA).

Toen het Brusselse terreurproces uitgesteld werd omwille van de ­afbraak van de gecontesteerde glazen kooien, eiste de Vlaamse minister van ­Handhaving Zuhal Demir (N-VA) prompt publieke excuses. Op sociale media had ze het over ‘het federale ­niveau (…) dat in het gezicht van de slachtoffers spuwt’.

Intussen hengelen andere ­­­N-VA ­politici, zoals Ben Weyts en Bart De Wever, met ronkende koppen als ‘Strengere straffen voor dierenbeulen’ of ‘Strengere handhaving tegen zwerfvuil’ naar duimpjes op Facebook. De partij Vooruit roeptoetert dan weer dat we harder moeten optreden tegen ramptoeristen en hen ­daarom best achter slot en grendel zetten (DS 25 augustus).

De boodschap is doorgaans ­opvallend gelijkluidend: straffen zijn te laag, rechters wereldvreemd, criminelen worden gepamperd, slachtoffers blijven in de kou. Juridische duiding of historische omkadering blijven meestal achterwege. Woorden als ‘waanzin’ en ‘spugen’ teren vooral op rauwe verontwaardiging en zijn geen voorzet tot dialoog of reflectie.

Zwart-wit retoriek

Deze communicatiestijl is kenmerkend voor wat de Franse magistraat en auteur Denis Salas in La volonté de punir het strafpopulisme noemt. Complexe vraagstukken over ­misdaad en straf worden verpakt in een eenvoudige zwart-wit retoriek, met als doel zo veel mogelijk ­stemmen of likes te scoren.

Die vernauwing en polarisering in het debat over justitie is zorgwekkend, zeker aan de vooravond van het grote terreurproces over de aanslagen in Zaventem en Maalbeek, dat ons nog vele maanden zal bezighouden.

Maar het is ook zorgwekkend ­omdat de strafuitvoering al vele jaren kampt met enorme problemen, zoals de overbevolking in de gevangenissen, het onafgebroken zwalpen ­tussen aankondigingspolitiek en ­crisismanagement en tribale ­territoriumtwisten tussen het­ ­federale en het gemeenschapsniveau. Een langetermijnvisie uitwerken wordt schier ­onmogelijk wanneer het debat vastloopt in platitudes en de ­beleidsmakers vanuit een egelstelling naar een denkbeeldig front trekken.

Hoe terug rust en kalmte te brengen in dit verhitte debat? We geven een voorzet in vijf vuistregels.

Eén, debatteer op het scherpst van de snee, maar doe dit met respect voor de spelregels van de Europese rechtsstaat. Wanneer een opiniemaker, ­zoals Dyab Abou Jahjah eind augustus, in de nasleep van de vrijlating van Michelle Martin, justitie een ‘farce’ noemt omdat (levenslange) straffen niet tot de laatste dag worden uitgevoerd, dan levert dit al gauw een ­duizendtal duimpjes op Twitter op, maar het getuigt van weinig inzicht of belangstelling voor de werking van de strafuitvoering.

Diezelfde ballon gaat op voor de criticasters in de zaak-Trabelsi: in een moderne rechtsstaat behoor je geen twee keer berecht te worden voor ­dezelfde feiten, en gelukkig maar.

Twee, stop met de viagra-politiek. Federaal minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open VLD) ­kondigde medio 2021 triomfantelijk aan dat alle korte straffen zouden uitgeboet worden, maar hij moest al snel op zijn woorden terugkomen. Het leidde tot een weinig appetijtelijk schouwspel, met herhaaldelijk uitstel van de plannen, een gedeeltelijke ­uitvoering (voor straffen van twee tot drie jaar) sinds 1 september 2022, en heel wat gekissebis over de zogenaamde ‘strafkorting’ van zes maanden die als pasmunt moest dienen om de druk op de overbevolkte gevangenissen te milderen.

Politici maken geen goede beurt met dergelijk geschipper tussen aankondigingspolitiek en ­crisismanagement.

Sluwe truc

Drie, begraaf de strijdbijl en kom los van de tribale territoriumtwisten. In een complex land een visie en beleid uitwerken rond straffen vergt samenwerking en overleg. Wanneer de groei van de enkelband of van werkstraffen telkens wordt geframed als een sluwe truc om de federale gevangenissen te ontlasten, dan laat Vlaanderen kansen liggen om zichzelf op de kaart te zetten en meester te worden van het debat. Als de vrijheidsstraf de ultieme remedie moet zijn, zoals de federale minister van Justitie meermaals heeft gesteld, dan komen de ­gemeenschappen aan zet. Vlaanderen doet er daarom goed aan om zelf met een wervend verhaal te komen: waar willen we naartoe met de ­gemeenschapsstraffen en het ­elektronisch toezicht?

Vier, maak werk van een transitiescenario voor de vrijheidsstraf en de klassieke gevangenissen. In een interview met NRC Handelsblad, in januari van dit jaar, stelde Van Quickenborne dat tegen 2050 tachtig procent van ­onze gedetineerden in detentie­huizen ondergebracht moet worden. Dat klinkt doortastend en ambitieus, maar die intenties stroken niet met de feiten.

De geplande nieuwbouw van klassieke PPS-gevangenissen zal tegen 2028 al gauw zo’n 3.000 nieuwe plaatsen opleveren. De kans is daarom klein dat we in 2050 plots een massale afbouw van onze capaciteit aan klassieke detentieplaatsen zullen zien. Welk pad willen we als samenleving dan opgaan met die vrijheidsstraf?

Durf experimenteren

Vijf, verlaat platgetreden paden en durf experimenteren. De vrijheidsstraf is al bijna tweehonderd jaar het referentiepunt in ons straffenarsenaal. Kunnen we niet wat meer durf en creativiteit in ons strafbeleid leggen? Wat met de ecologische voetafdruk van onze gevangenissen? Zouden we bepaalde straffen kunnen herdopen tot ‘ecostraffen’ en ze doelgericht koppelen aan de energie- en ­klimaatcrisis? Welke rol kan het herstelrecht, waarbij van misdrijfplegers verwacht wordt dat ze schade herstellen, in de toekomst spelen?

Aan de vooravond van het belangrijkste proces sinds de zaak-Dutroux en met enorme uitdagingen in het vooruitzicht, heeft ook ons straf­systeem nood aan een ambitieus ­transitieplan dat verder reikt dat één of twee legislaturen.

Fundamentele keuzes dringen zich op, maar die kan je alleen maken in samenspraak en overleg – niet in een publiek debat dat gedomineerd wordt door scoringsdrang en het sprokkelen van duimpjes.

(dit is de verkorte versie van een lezing, gegeven bij de boekvoorstelling van “Misdaad & straf in onrustige tijden“; de tekst verscheen eerder in De Standaard, 10 oktober 2022)

One thought on “ Verlaat de platitudes in het debat over misdaad en straf ”

Leave a comment