Onderstaand commentaar werd geschreven op verzoek van de verenigde commissies voor Algemeen Beleid, Financiën, Begroting, Justitie en Onroerend Erfgoed en de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid, Gezin, Armoedebestrijding en Gelijke Kansen van het Vlaams Parlement. De Conceptnota zelf kan hier teruggevonden worden. Wie een pdf van het commentaar (d.d. 22 april 2026) wil raadplegen, kan deze hier terugvinden.
(1). De conceptnota vertrekt vanuit een bezorgdheid over de staat van de gevangenissen in Vlaanderen en hoe de hulp- en dienstverlening vandaag de dag, in vaak aartsmoeilijke omstandigheden[1], wordt uitgebouwd. De conceptnota wijst terecht op de nood aan “structurele versterking en (regelgevende) bijsturing” en een “heldere beleidsvisie en voldoende middelen”[2]. De conceptnota belicht de “capaciteitsbeperkingen en lange wachtlijsten”, in het bijzonder “in de domeinen van drughulpverlening en geestelijke gezondheidszorg”[3]. Het pleidooi om aan benchmarking te doen kan alleen maar toegejuicht worden: “Zonder een minimumstandaard ontbreekt immers een duidelijke referentie of benchmark om hiaten en tekorten structureel aan te pakken”.[4] Hetzelfde geldt voor de aanbeveling dat meer geïnvesteerd moet worden in wetenschappelijk onderzoek naar hulp- en dienstverlening.[5]
(2). Vanuit historisch perspectief bekeken vormt het dermate centraal stellen van recidive – zoals geponeerd en uitgewerkt in de conceptnota – zondermeer een trendbreuk in Vlaanderen. Toen de hulp- en dienstverlening een Vlaamse bevoegdheid werd, werd dit vooral als een opportuniteit beschouwd om het welzijnswerk uit de schaduw van het strafrecht te doen treden en een autonome kijk op hulpverlening te ontwikkelen. Zo werd de passage in de bijzondere wet van 1980, waarin gesteld werd dat “de penitentiaire en postpenitentiaire sociale hulpverlening met uitzondering van de uitvoering van strafrechtelijke beslissingen” voortaan als persoonsgebonden materie moest worden beschouwd[6], veertig jaar geleden door de Leuvense hoogleraar Lieven Dupont omschreven als een “zinnetje” dat “explosieven” bevat: “…die de bunker waarin de justitiële hulpverlening een kleine honderd jaar lang gevangen was gehouden, met één klap kon doen uiteenspatten”.[7]
Een dergelijke insteek leek ook aanwezig bij de totstandkoming van het decreet van 2013.[8] Ondanks het feit dat de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van decreet beklemtoont dat de doelstellingen van de hulp- en dienstverlening aan gedetineerden “meervoudig” zijn[9], was het aanvankelijk geenszins de bedoeling om recidivebeperking of terugvalpreventie als aparte doelstelling op te nemen in het decreet. De toenmalige Vlaamse minister van Welzijn (Jo Vandeurzen) verwoordde zijn positie als volgt:
“Het voorstel om artikel 4 aan te vullen met een bijkomende doelstelling inzake terugvalpreventie werd niet gevolgd. De kans op herval beperken kan wel een resultaat zijn van de hulp- en dienstverlening, maar is …geen prioritaire doelstelling voor álle betrokken actoren.”[10]
Dit verklaart waarom in artikel 4 van het ontwerpdecreet vijf doelen voor de hulp- en dienstverlening werden geformuleerd:
1° de zelfontplooiing van de gedetineerde stimuleren;
2° het sociale, relationele en psychische evenwicht van de gedetineerde herstellen;
3° de negatieve gevolgen voor de gedetineerde en zijn directe sociale omgeving, veroorzaakt door en tijdens de detentie, beperken;
4° de integratie en participatie in de samenleving na de detentieperiode bevorderen;
5° een proces van herstel tussen dader en slachtoffer en samenleving stimuleren.[11]
De opname van terugvalpreventie[12] als zesde doelstelling in het uiteindelijk gestemde decreet (“6° de kans op herval beperken”), was het gevolg van de indiening van twee gelijkluidende amendementen[13], waarna minister Vandeurzen zich niet langer verzette tegen de “decretale verankering” ervan.[14]
Deze korte terugblik op de genese van het decreet is m.i. belangrijk omdat de uitgesproken focus op recidive in de conceptnota, en de wijze waarop recidive richtinggevend zou moeten zijn voor het aanbod en de evaluatie van de hulp- en dienstverlening, een evenwichtig nastreven van de zes doelen dreigt te ondergraven. Vanuit historisch oogpunt is het alleszins opmerkelijk dat de zesde doelstelling – die slechts via de omweg van het amendement alsnog in het decreet belandde – de andere vijf doelstellingen nu dreigt te overschaduwen.
(3). De conceptnota stelt dat hulp- en dienstverlening aan gedetineerden een “specifieke invulling” moet krijgen “(…) die gericht is op voorkomen van recidive zodat de kans op succesvolle maatschappelijke re-integratie gemaximaliseerd wordt”.[15] Wat later in de conceptnota luidt dit als volgt: “Volgens de indieners moet de hulp- en dienstverlening in de gevangenissen hoofdzakelijk gericht zijn op de aanpak van recidive”. [16] En nog: “Naast een gegarandeerd individueel onthaal moet er ook altijd een individueel hulp- en dienstverleningsplan worden opgemaakt dat gericht is op het tegengaan van recidive”. [17]
Daarmee plaatsen de auteurs van de conceptnota de zesde doelstelling van het decreet uitdrukkelijk boven de vijf andere doelstellingen – of worden de andere doelstellingen in de sleutel van “recidive” geplaatst (bv. door te poneren dat detentieschade “de kans op recidive” vergroot[18]).
Het risico is reëel dat het aanbod aan hulp- en dienstverlening verengd en geïnstrumentaliseerd wordt. Zo is er sprake van een “antirecidiveaanbod”, dat als “basis” moet fungeren: “elke penitentiaire instelling moet een vast basisaanbod hebben dat kan helpen om recidive tegen te gaan”.[19] Het “extra aanbod”, boven op dit “basisaanbod”, is vervolgens “(…) afhankelijk van welke actoren er in de regio actief zijn en bereid zijn een aanbod voor gedetineerden te ontwikkelen.” Het is niet duidelijk welke garanties de conceptnota voorziet om dit “extra aanbod” ook effectief te realiseren en welk doelen van het decreet daarmee nagestreefd zullen worden.
Het valt alleszins op dat sport, cultuur en welzijn niet vernoemd worden in de conceptnota. Zo gaat het over “onderwijs, werk en zorg” wanneer de conceptnota het heeft over het “hulp- en dienstverleningsplan”.[20] En wanneer het gaat over het bovenvermelde “basisaanbod”, dan stelt de conceptnota: “Dat kan bestaan uit onderwijs, werk en zorg”.[21] Nochtans zijn sport, cultuur en welzijn van groot belang, zoals ook bleek uit het BRuG-onderzoek[22] en zoals ook wordt onderlijnd in de nieuwe aanbeveling Rec(2026)5 van de Raad van Europa[23], en biedt een ruim en breed toegankelijk aanbod een antwoord op verschillende doelen van het decreet, in het bijzonder zelfontplooiing (art. 4, 1°), herstel van het sociale, relationele en psychische evenwicht (art. 4, 2°) en schadebeperking (art. 4, 3°).
Ook herstelgerichte activiteiten blijven onvermeld in de conceptnota. Hierdoor dreigt ook dit doel van de hulp- en dienstverlening (art. 4, 5°) onbeantwoord te blijven.[24]
(4). De conceptnota stelt uitdrukkelijk dat de geformuleerde voorstellen “(…) hoofdzakelijk bedoeld zijn voor gedetineerden met een geldige verblijfstitel in ons land”.[25] Ook daar bestaat het risico op een verenging door de uitsluiting van een aanzienlijk deel van de gevangenispopulatie op basis van hun verblijfstitel: zo’n 3 op de 10 gedetineerden zou hier de gevolgen van dragen.[26] Het is niet duidelijk welk aanbod, en met welke finaliteit, voor deze groep gerealiseerd zal worden. Indien toegang tot hulp- en dienstverlening voor deze groep beperkt zou worden, dan druist dit mogelijks in tegen aanbeveling Rec(2012)12 van de Raad van Europa over vreemdelingen in detentie.[27]
(5). Recidive laat zich moeilijk meten. De auteurs van de conceptnota zijn zich daarvan bewust, maar laten dit onvoldoende doorwerken in de uitwerking van de probleemstelling. Zo wordt het vaak gehoorde, maar doorgaans weinig of niet onderbouwde contrast tusen 70 procent[28] recidive in België en 20 procent “in sommige Scandinavische landen” ook hier geponeerd, zonder dat het duidelijk is waar de cijfers vandaan komen en op welke wijze die cijfers tot stand komen.[29] Ondanks het ontbreken van een gedegen onderbouwde analyse wordt toch geconcludeerd dat het recidivecijfer “onaanvaardbaar hoog” is en dat dit wijst op “een falend beleid”[30], waarmee impliciet ook wordt aangegeven dat recidivecijfers – waar we vooralsnog maar in zeer beperkte mate over beschikken in ons land – ook de belangrijkste maatstaf van succes of mislukking zouden moeten zijn.
(6). Vanuit wetenschappelijke hoek wordt een enge focus op recidive bevraagd. In een studie van de National Academy of Sciences (NAS)[31] met de betekenisvolle titel The Limits of Recidivism: Measuring Success After Prison worden kanttekeningen geplaatst bij een al sterke en eenzijdige focus op recidive. Stoppen met criminaliteit is vaak een gradueel proces van vallen en opstaan. Daarenboven houdt de recidivemaatstaf onvoldoende rekening met het feit dat het traject dat een veroordeelde doorloopt op andere vlakken wél succesvol kan zijn en dat vooruitgang op vlak van re-integratie wordt geboekt (bv door werk, huisvesting, opleiding, gezondheid, …).[32]
Het NAS-onderzoek waarschuwt ook voor het gegeven dat de recidivemaatstaf te fel individualiseert en onvoldoende oog heeft voor de ruimere context, inclusief de obstakels op het pad richting re-integratie:
“(…) post-release outcomes are the product of interactions between individual behavior, institutional actions, and systemic inequalities in exposure to barriers and access to resources […] success depends on the interaction among the attributes and choices of individuals, the decisions of legal authorities, and access to services and supports that facilitate reentry.” [33]
De conceptnota heeft daar zeker wel aandacht voor. Zo wordt de periode van vrijlating bijvoorbeeld als “heel fragiel”[34] benoemd. Maar anderzijds verwijst de conceptnota ook herhaaldelijk naar “de verantwoordelijkheid van de gedetineerde zélf”[35]. Tegen het licht van de aanbevelingen uit de NAS-studie is het raadzaam om steeds de ruimere context voldoende in ogenschouw te nemen (en deze ook verder systematisch in kaart te brengen, in het verlengde van het BRuG-onderzoek), inclusief de drempels en obstakels waarmee mensen, die zich vaak in zeer moeilijke en uitdagende omstandigheden bevinden, geconfronteerd worden.
(7). De conceptnota besteedt terecht extra aandacht aan de situatie van langgestraften, voor wie een geïndividualiseerd plan vooral noodzakelijk is.[36] Dit wordt ook bevestigd in recente rechtspraak over zeer lange of levenslange straffen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in het bijzonder sinds de Vinter-case.[37] Het valt echter aan te bevelen om de decretale “meervoudige” kijk op hulp- en dienstverlening ook hier sterker uit de verf te laten komen, in lijn met Rec 2003(23) van de Raad van Europa, waarin onder meer aandacht gevraagd wordt voor schadebeperking (“to counteract the damaging effects of life and long-term imprisonment”) and re-integratie (“to increase and improve the possibilities for these prisoners to be successfully resettled in society and to lead a law-abiding life following their release”).[38]
(8). De conceptnota heeft op dit moment onvoldoende oog voor het feit dat recidivebeperking minder of niet relevant lijkt voor sommige groepen in detentie (bv. voor ouderen of personen die omwille van een beperking geen risico (meer) vormen), waardoor de hulp- en dienstverlening voor dergelijke groepen niet primair aangestuurd kan worden vanuit het zesde doel van het decreet.
(9). De conceptnota drukt zich bezorgd uit over een stijging in het aantal ontsnappingspogingen uit de gevangenissen in de “afgelopen maanden”.[39] Het is echter onduidelijk waar dit op gebaseerd is en welke feiten zo zorgwekkend zijn: de feitelijke onderbouwing ontbreekt. Uit het antwoord op een parlementaire vraag uit die periode[40] blijkt niet meteen reden tot bezorgdheid: het aantal ontsnappingen blijft laag en doorgaans gebeuren ontsnappingen uit open inrichtingen of voorzieningen voor kleinschalige detentie (die ook de schommelingen grotendeels verklaren); de meeste veroordeelden worden meestal snel tot zeer snel heropgesloten.[41] Er wordt in de conceptnota daarenboven gesteld dat die vermeende “stijging” verklaard kan worden “door het stijgend aantal gedetineerden gelinkt aan de georganiseerde criminaliteit en drugshandel”.[42] Ook voor deze uitspraak ontbreekt enige onderbouwing in de conceptnota.
Meer in het algemeen worden in punt (5.11) van de conceptnota gevangenen die “(…) tijdens hun detentieperiode hun criminele activiteiten voortzetten, een verslavingsproblematiek ontwikkelen of slecht gedrag vertonen” ongedifferentieerd samengeplaatst om “het gedrag van de gedetineerde” tijdens detentie te problematiseren. Hier is nood aan differentiatie: er is een fundamenteel onderscheid te maken tussen voortgezet crimineel handelen, de ontwikkeling van een verslavingsproblematiek of zogenoemd (maar in de conceptnota niet nader gedefinieerd) “slecht” gedrag.
(10). De conceptnota stelt dat trajectbegeleiders tijdig op de hoogte gebracht zouden moeten worden bij wijzigingen in het detentietraject, zoals vervroegde invrijheidstelling.[43] Ook het BRuG-onderzoek bracht een zekere bezorgdheid over de onzekerheid rond de datum van invrijstelling in kaart.[44] De auteurs van de conceptnota zouden hier een brug kunnen slaan met bestaande pleidooien voor een vaste datum van voorwaardelijke invrijheidstelling.[45]
(11). In de conclusie van de conceptnota wordt een lans gebroken voor “het internationale concept van de Halfway Houses”: “Dat zijn residentiële programma’s waarbij personen onder toezicht van de overheid in de samenleving kunnen leven en tegelijkertijd intensief re-integratieondersteuning krijgen om de overgang van detentie naar de maatschappij te versnellen en te vergemakkelijken”[46]. Dit voorstel lijkt sterk op de bestaande transitiehuizen (en lijkt ook enigermate verwant aan de detentiehuizen), die echter onvermeld blijven in de conceptnota. De auteurs zouden er goed aan doen om uitdrukkelijk de méérwaarde t.o.v. de bestaande vormen van kleinschalige detentie, die ook naar de toekomst verder uitgerold worden, te duiden.
Tom Daems
Gewoon hoogleraar LINC, KU Leuven
Leuven, 22 april 2026.
[1] Bij het afsluiten van dit commentaar (22 april 2026) sliep een recordaantal personen (763) op de grond in de Belgische gevangenissen.
[2] Conceptnota, p. 4.
[3] Conceptnota, p. 8.
[4] Conceptnota, p. 8.
[5] Conceptnota, p. 11.
[6] Art. 5, §1, II, 7° bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen.
[7] L. Dupont, Welzijnswerk in de schaduw van het strafrecht, Leuven, Acco, 1986, p. 20. En hij vervolgde: “Bij de studie van de parlementaire voorbereiding van deze wet is het mij duidelijk geworden dat de politici zich op geen enkel moment bewust zijn geweest van de consequenties van deze wettekst, en van de ingrijpende hervormingen die daarmee op het vlak van de justitiële hulpverlening mogelijk zijn. In hun argeloosheid, voortvloeiend uit het niet-vertrouwd zijn met dit domein, hebben zij een waarheid verkondigd waarover in de hulpverleningswereld reeds zoveel te doen was geweest, met name: dat hulpverlening iets geheel anders betekent dan participeren aan de uitvoering van strafrechtelijke beslissingen, en dat het dan ook vanzelfsprekend is dat de hulpverlening als onderdeel van de welzijnszorg aan de gemeenschappen toekomt, terwijl het werken voor justitie uiteraard onder de nationale overheid blijft ressorteren”.
[8] Decreet van 8 maart 2013 betreffende de organisatie van hulp- en dienstverlening aan gedetineerden. BS 11 april 2013.
[9] Ontwerp van decreet betreffende de organisatie van hulp- en dienstverlening aan gedetineerden. Stuk 1846 (2012-2013) – nr. 1, ingediend op 18 december 2012, p. 13.
[10] Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Nota aan leden van de Vlaamse regering. Betreft: Vooorontwerp van decreet betreffende de organisatie van de hulp- en dienstverlening. Principiële goedkeuring na aanpassing op basis van adviezen SAR, SERV en Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, p. 6.
[11] Ontwerp van decreet betreffende de organisatie van hulp- en dienstverlening aan gedetineerden. Stuk 1846 (2012-2013) – nr. 1, ingediend op 18 december 2012, p. 78.
[12] Merk op dat de conceptnota (p. 4) het zesde doel van het decreet omschrijft als “het beperken van de kans op recidive” terwijl het decreet het heeft over “de kans op herval beperken” en het woord “recidive” niet gebruikt.
[13] Amendement nr. 1 voorgesteld door mevrouw Vera Van der Borght en de heer Peter Gysbrechts; Amendement nr. 2 voorgesteld door mevrouw Marijke Dillen en de heer Felix Strackx. Stuk 1846 (2012-2013) – nr. 2, ingediend op 5 februari 2013.
[14] Ontwerp van decreet betreffende de organisatie van hulp- en dienstverlening aan gedetineerden. Verslag namens de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebeleid uitgebracht door mevrouw Vera Jans. Stuk 1846 (2012-2013) – nr. 3. Ingediend op 19 februari 2013, p. 15.
[15] Conceptnota, p. 3.
[16] Conceptnota, p. 10 (accentuering TD).
[17] Conceptnota, p. 13.
[18] Conceptnota, p. 3.
[19] Conceptnota, p. 15.
[20] Conceptnota, p. 12.
[21] Conceptnota, p. 15.
[22] Brosens, D., Vandevelde, L., Naessens, L., Favril, L., Raeymaeckers, P., Pouille, A., Van Regenmoortel, S., Vandevelde, S. & De Donder, L., Het BRuG-project: een grootschalig onderzoek naar re-integratie van personen in gevangenissen in Vlaanderen en Brussel. 2024.
[23] CM/Rec(2026)5 – Recommendation of the Committee of Ministers to member States on education in prison. Adopted by the Committee of Ministers on 8 April 2026 at the 1556th meeting of the Ministers’ Deputies, §§17-18, https://search.coe.int/cm?i=09125948802b43da
[24] Dit is overigens ook een gemiste kans vanuit het perspectief van recidive: herstelrechtelijke interventies worden immers ook in verband gebracht met terugvalpreventie, zie bv. L. Fulham, J. Blais, T. Rugge & E. A. Schultheis (2025). “The effectiveness of restorative justice programs: A meta-analysis of recidivism and other relevant outcomes”, Criminology and Criminal Justice, 25(5), 1486-1512. https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/17488958231215228
[25] Conceptnota, p. 10.
[26] Zie bv. Penitentiaire Beleidsraad, Advies 1 – Overbevolking in de gevangenissen, pp. 11-12, https://justitie.belgium.be/sites/default/files/Adviezen%20penitentiaire%20beleidsraad/Advies%201%20-%20Overbevolking%20in%20gevangenissen%20met%20opinie%20O.%20Lins%20en%20preambule.pdf; Het BRuG-onderzoek maakt gewag van 28,8% van de gevangenispopulatie in Vlaanderen en Brussel die geen recht op verblijf had, zie Brosens, D., Vandevelde, L., Naessens, L., Favril, L., Raeymaeckers, P., Pouille, A., Van Regenmoortel, S., Vandevelde, S. & De Donder, L., Het BRuG-project: een grootschalig onderzoek naar re-integratie van personen in gevangenissen in Vlaanderen en Brussel. 2024, p. 10.
[27] Recommendation CM/Rec(2012)12 of the Committee of Ministers to member States concerning foreign prisoners. Adopted by the Committee of Ministers on 10 October 2012 at the 1152nd meeting of the Ministers’ Deputies. https://search.coe.int/cm?i=09000016805c9df0
[28] In voetnoot 2 (op p. 3) van de conceptnota wordt gesteld dat dit cijfer van 70% gebaseerd is op een studie van het NICC. Dit lijkt niet geheel correct. In die studie wordt 57,6% vermeld en dat “na een periode van ca. 18 jaren”, zie L. Robert, B. Mine en E. Maes, “Recidive na een rechterlijke beslissing. De eerste nationale cijfers over recidiveprevalentie op basis van het Centraal Strafregister”, Panopticon, 2015, 36(3), p. 187. Voor sommig specifieke groepen ligt dat cijfer hoger (zie tabel p. 181), maar dan gaat het niet langer over een algemeen recidivecijfer. In juni 2017 beoordeelde de Factcheck van Knack uitspraken over een recidivcijfer van 70%, op basis van het weinige beschikbare onderzoek in ons land, als “grotendeels onwaar” https://www.knack.be/factcheck/factchecker-we-zitten-met-een-recidivecijfer-van-rond-de-70-procent/
[29] Andersen en Skardhamar (2017) bespreken bijvoorbeeld nationale data uit Noorwegen waaruit 36 verschillende recidivecijfers voortvloeien, gaande van 9,4% tot 53%. Voor een bespreking van hun studie, zie L. Robert, E. Maes & B. Mine, “Over ezels en stenen. Enkele observaties over recidive”, in: K. Beyens & S. Snacken (eds.), Straffen: Een penologisch perspectief. Antwerpen, Maklu, 2017, pp. 174-175.
[30] Conceptnota, p. 3.
[31] National Academy of Sciences, Engineering, and Medicine, The Limits of Recidivism: Measuring Success After Prison. Washington, DC, The National Academies Press, 2022. https://www.nationalacademies.org/projects/DBASSE-CLAJ-18-01
[32] “Recidivism is often operationalized as a binary, either-or, measure of post-release outcomes: You were either rearrested, reconvicted, or reincarcerated after leaving prison, or you were not. By contrast, desistance indicates a gradual process that, like recovery from addiction, illness or disease, can involve relapses. From the vantage point of recidivism, committing a new crime is a mark of failure. From a desistance perspective, committing fewer or less serious crimes is a sign of movement toward desistance. Our review led us to conclude that the concept of desistance more accurately depicts the realities of criminal behavior and its cessation and that measures of desistance should augment the recidivism rate” National Academy of Sciences, Engineering, and Medicine, The Limits of Recidivism: Measuring Success After Prison. Washington, DC, The National Academies Press, 2022, p. x. Zie ook het BRuG-onderzoek en het belang van een zogenoemde “sterktegerichte kijk”: “…een kijk dat verder gaat dan het zien van de ‘crimineel’ en de feiten en daarnaast ook focuste op de groeikansen en positieve eigenschappen”, Brosens, D., Vandevelde, L., Naessens, L., Favril, L., Raeymaeckers, P., Pouille, A., Van Regenmoortel, S., Vandevelde, S. & De Donder, L., Het BRuG-project: een grootschalig onderzoek naar re-integratie van personen in gevangenissen in Vlaanderen en Brussel. 2024, p. 25 (zie ook p. 37).
[33]National Academy of Sciences, Engineering, and Medicine, The Limits of Recidivism: Measuring Success After Prison. Washington, DC, The National Academies Press, 2022, p. 6 en p. 10 (klemtoon op ‘interaction’ in het origineel). Of in de termen van het BRuG-project: “Elk individu moet meester kunnen zijn van het eigen re-integratieproces. Hierbij is het noodzakelijk om een context te creëren waarin mensen hun terugkeer naar de samenleving waar kunnen maken”. Brosens, D., Vandevelde, L., Naessens, L., Favril, L., Raeymaeckers, P., Pouille, A., Van Regenmoortel, S., Vandevelde, S. & De Donder, L., Het BRuG-project: een grootschalig onderzoek naar re-integratie van personen in gevangenissen in Vlaanderen en Brussel. 2024, p. 49.
[34] Conceptnota, p. 9.
[35] Conceptnota, p. 3, zie ook p. 13.
[36] Conceptnota, p. 7, p. 14.
[37] Case of Vinter and others v. The United Kingdom (Applications nos. 66069/09, 130/10 and 3896/10), GC, 9 juli 2013
[38] Rec(2003)23 – Recommendation of the Committee of Ministers to member states on the management by prison administrations of life sentence and other long-term prisoners. Adopted by the Committee of Ministers on 9 October 2003 at the 855th meeting of the Ministers’ Deputies. https://search.coe.int/cm?i=09000016805dec7a
[39] Conceptnota, p. 17.
Bron tabel: Antwoord van de Minister van Justitie, belast met de Noordzee van 6 november 2025, op de vraag nr. 539 van Mevrouw de volksvertegenwoordiger Marijke Dillen van 7 oktober 2025. Voor 2025 betreft het de periode van 1 januari tot en met 30 juni. https://www.dekamer.be/QRVA/pdf/56/56K0030.pdf
[41] Wat de federale minister van Justitie ook zelf erkent: “Wel moet worden benadrukt dat de ontsnappingen merendeels plaatsvinden vanuit een inrichting met een meer open regime”, Antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee van 25 september 2025, op de vraag nr. 439 van De heer volksvertegenwoordiger Werner Somers van 7 augustus 2025. https://www.dekamer.be/QRVA/pdf/56/56K0025.pdf
[42] Conceptnota, p. 17.
[43] Conceptnota, p. 12
[44] Brosens, D., Vandevelde, L., Naessens, L., Favril, L., Raeymaeckers, P., Pouille, A., Van Regenmoortel, S., Vandevelde, S. & De Donder, L., Het BRuG-project: een grootschalig onderzoek naar re-integratie van personen in gevangenissen in Vlaanderen en Brussel. 2024, p. 29
[45] We merken in dit verband wel op dat de (federale) beleidsverklaring Justitie (13 maart 2025) een merkwaardig causaal verband legt tussen strafuitvoeringsmodaliteiten en recidive: “Strafuitvoeringsmodaliteiten zoals voorwaardelijke invrijheidstelling, uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven zorgen voor een discrepantie tussen de opgelegde gevangenisstraf en het gedeelte dat effectief in detentie wordt doorgebracht. Dit leidt tot een gevoel van straffeloosheid en recidive”. In deze passage zet de beleidsverklaring van de federale minister van Justitie een fundament van onze (Europese) strafuitvoering op losse schroeven – nl. het werken aan re-integratie en het stapsgewijs aanhalen van de banden met de vrije samenleving tijdens detentie – en wekt de indruk dat dergelijke strafuitvoeringsmodaliteiten zelfs het tegenovergestelde bewerkstelligen van wat ze beogen: volgens de beleidsverklaring werken ze recidive in de hand i.p.v. dat ze de re-integratie bevorderen. Door dergelijke strafuitvoeringsmodaliteiten – die bij wet zijn geregeld en al vele jaren onderdeel vormen van ons strafuitvoeringssysteem – daarenboven op dubieuze wijze in verband te brengen met het “gevoel van straffeloosheid” maakt de beleidsnota deze modaliteiten dubbel verdacht. Zie Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Beleidsverklaring Justitie, DOC 56 0767/017, 13 maart 2025, p. 30 https://www.dekamer.be/flwb/pdf/56/0767/56K0767017.pdf
[46] Conceptnota, p. 18.
[1] T. Vandeurzen, K. Schryvers, P. Van Rompuy, B. Warnez, R. Bothuyne en L. Vandromme, Conceptnota voor nieuwe regelgeving: over een doelgerichte detentie tegen criminele recidive. Stuk 459 (2024-2025) – nr. 1. Ingediend op 20 augustus 2025. https://www.vlaamsparlement.be/nl/parlementaire-documenten/parlementaire-initiatieven/1938725 ; Hierna afgekort als: Conceptnota.
