Tsjernobyl? Ik moest woensdagavond, 28 juli 2021, twee keer luisteren toen het TV-nieuws binnenstroomde. Nee, het was Cernobbio. En Cernobbio ligt niet in het oergrauwe Oekraïne, maar wel aan de rand van het magnifieke Comomeer in Italië. De modder en het overtollige water had ook daar stevig huisgehouden. We herkennen de beelden intussen van de moorddadige wateroverlast in eigen land, van Spa tot Chaudfontaine.

En toch bleef Tsjernobyl door mijn hoofd spoken. Vijfendertig jaar geleden, in 1986, schreef de Duitse socioloog Ulrich Beck een boek over de risicomaatschappij. Ik tikte een exemplaar van Risikogesellschaft op de kop in Graz, in Oostenrijk, nog voor de euro zijn intrede deed (181 schilling betaalde ik, bij Max Pock). Het was een ongemeen boeiende tijd voor een Erasmus/Socratesstudent: Louis Michel had net alle Belgen aangemaand om niet te gaan skieën in Oostenrijk – Jörg Haider maakte immers een opmerkelijke opmars in Steiermark. Om die reden was het ook een buitengewoon spannende tijd, zeker wanneer je als jonge Belg toekomt in een studentenhuis waar je op de ontvangstbalie een stevige ruiker bloemen ziet staan, met tientallen wapperende FPÖ-vlaggetjes bevestigd aan al die bloemenpracht (“Tom, vergeet niet om de Oostenrijkers altijd te begroeten met ‘Grüß Gott’”, zo had een Brusselse gevangenisdirecteur me gelukkig kort voordien toevertrouwd, tijdens mijn stage in zijn instelling).

Het boek van Beck kreeg een enorme boost door Tsjernobyl: kernenergie en de grensoverstijgende gevolgen van de ramp waren plots een hot topic.  Zelfs de sla in de stille Kempen werd van de ene op de andere dag verdacht (dit is zeer herkenbaar, ongetwijfeld, voor de PFOS-getroffenen, in Zwijndrecht en omstreken). Risikogesellschaft was vooral een eye-opener omdat Beck toonde hoe de moderne industriële samenleving allerhande nieuwe risico’s deed ontstaan. Hij sprak daarom van een reflexieve moderniteit: een nieuw tijdperk waarin we ons in toenemende mate (moeten) richten op de gevolgen van wat we zelf hebben veroorzaakt. Het bezorgde Ulrich Beck wereldfaam, naast generatiegenoten zoals Tony Giddens, die in de jaren negentig ook sterk aan die kar trok.

Wie zich de klimaatkwestie aantrekt, herkent dit ongetwijfeld: weinig nieuws onder de zon hier. Beck (die op 1 januari 2015 – veel te vroeg – overleed) heeft overigens ook zelf een sensibiliserende en mobiliserende rol gespeeld in de klimaatkwestie. Maar die reflexieve moderniteit reikt verder dan het terrein van de  ecologie. De neveneffecten van grootschalige moderniseringsprojecten worden ook op andere vlakken zichtbaar. Die andere crisis van de jongste tijd – jawel: covid-19 – maakt dat bijzonder duidelijk: het is niet toevallig dat vooral woonzorgcentra en gevangenissen het zwaar te verduren kregen, zoals we eerder al hebben betoogd (zie bv. “De hardnekkige hamburgerreflex” of “Kiezen tussen pest en cholera: rechten van gedetineerden in tijden van pandemie”).  Ook hier zouden we kunnen spreken van de neveneffecten van Ulrich Beck’s first modernity. George Ritzer heeft het over efficiëntie, berekenbaarheid, voorspelbaarheid en technologische vernieuwing, de vier principes van McDonaldisering, die de moderne maatschappij beheersen. De hamburgerslogan ‘bigger is better’ galmt ook na in de wandelgangen van grootschalige gevangenissen en woonzorgcentra.

Tegen die achtergrond was de aankondiging van de minister van Justitie verademend. Op de dag dat Cernobbio puin ruimde en modder veegde, gaf de minister een nieuwe impuls aan de uitrol van transitiehuizen in ons land: op dit moment zijn er twee dergelijke transitiehuizen (Mechelen en Edingen; capaciteit per huis: 12–17 personen) en dit zou moeten uitbreiden, tot 100 plaatsen.  In de oproep, die op 28 juli 2021 verscheen in het Belgisch Staatsblad (het gaat om een oproep tot indienen van een “pré-kandidatuur” voor de uitbating van transitiehuizen in Vlaanderen, Wallonië en Brussel), wordt ook uitdrukkelijk vermeld dat de toekomstige transitiehuizen zich bij voorkeur situeren in een stedelijke context: “Dit faciliteert de toegang tot hulp- en dienstverlening, het openbaar vervoer, en is een sterk ondersteunende factor inzake de reclassering”. Dat is niet onbelangrijk, op vlak van re-integratie en nabijheid – en ja, het is ook een belangrijk beleidsmatig en politiek signaal en antidotum tegen “NIMBY” (“Not In My Backyard”). De uitrol zal op een gefaseerde wijze gebeuren: november 2021 (2 transitiehuizen), januari 2022 (2 transitiehuizen), maart 2022 (resterende plaatsen) – maar we lezen ook dat die planning ‘indicatief’  –  en dus ‘niet bindend’  – is voor de overheid.

Deze ontwikkeling is enkel maar toe te juichen. Maar tezelfdertijd kan ze niet losgekoppeld worden van het ruimere plaatje. Vorige maand werd nog aankondigd dat de geplande hervormingen rond de uitvoering van straffen tot en met drie jaar (voorzien op 1 december 2021) 600 extra plaatsen nodig zou maken. Je hoeft geen wiskundig bolleboos te zijn om in te zien dat hier een vervelende kink in de kabel zit: hoe valt het één met het ander te rijmen, zeker als je weet dat we ook nu nog met overbevolking kampen? (zie hierover mijn opinie “Natte dromen van straffe liberalen”).  De signalen zijn – en blijven – vaak tegenstrijdig, en dat is niet gezond (ik heb dat ooit “slaan en zalven” of “viagra”-handelen genoemd). Ook hier is er – net zoals bij de klimaat- en covid-19-crisis  – vooral nood aan een éénduidige langetermijnvisie.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s