In een belangwekkend arrest van 15 juli 2021 (nr. 107/2021) verwerpt het Grondwettelijk Hof het beroep tot vernietiging van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel (voor het persbericht, zie hier). Het gaat om een belangrijke wet voor de toekomst van de Belgische gevangenissen: de wet van 23 maart 2019  regelt namelijk de essentiële elementen van het statuut van het penitentiair personeel en de minimale dienstverlening in de gevangenissen (voor meer info, zie bv. mijn bijdrage in Sancties). In deze blog post staan we even stil bij die wet en het arrest van het Grondwettelijk Hof.

De wet van 23 maart 2019 heeft heel wat wortels, maar de oerwortel voert ons terug tot de penibele situatie rond de stakingen in de gevangenissen in België.  Bijna 20 jaar geleden schreef oud-directeur-generaal van het gevangeniswezen John Vanacker daarover reeds het volgende:

“Hoe meer beveiligd een gevangenis is door middel van technologie, hoe meer geïnformatiseerd de gevangenissector is (toegang, griffieprogramma, medische dossiers), hoe moeilijker het wordt om het werk door anderen te laten overnemen en hoe meer de last komt te liggen bij de schaarse aanwezigen. Kan bij ‘lock outs’ de veiligheid van het aanwezige personeel, gedetineerden, de maatschappij nog voldoende gegarandeerd worden? Het stakingsrecht impliceert niet dat het recht op arbeid verdwijnt. Het betekent evenmin dat de schaarse aanwezige personeelsleden voor een haast onmogelijke taak geplaatst worden. Waar ligt de grens van het maatschappelijk, moreel en ethisch aanvaardbare? In welke mate kunnen gedetineerden in hun fundamentele rechten geschaad worden? Meer en meer worden grenzen verlegd. Ik doe geen uitspraak of dé limiet bereikt is. Wel is het belangrijk te zien dat er een evolutie aan de gang is. En dat het belangrijk is hiernaar te kijken voor het te laat is.” (voor de tekst, zie hier)

Bijna tien jaar later stelde de redactie van FATIK een themanummer samen over de stakingen in de gevangenissen.  Daarin werd vastgesteld dat die limiet bereikt was: in 2003 vielen er twee dodelijke slachtoffers te betreuren tijdens een actie in de gevangenis van Andenne en het Europese antifoltercomité (CPT) had ons land al meermaals op de vingers getikt (wie interesse heeft, kan het themanummer hier raadplegen).

De stakingsproblematiek bleef echter lange tijd zonder afdoend antwoord.  De wekenlange stakingsgolf in de lente van 2016 was zondermeer een dieptepunt (zie hierover bv. “L’histoire se répète: de dodelijke cocktail van de cipierstaking”). Tijdens die golf voerde het CPT een uitzonderlijk ad hoc bezoek uit aan ons land. Een jaar later volgde een openbare verklaring waarin het CPT andermaal en met aandrang opriep om een gegarandeerde dienstverlening te voorzien (voor een beschouwing, zie hier). In 2019 boog ook het Hof in Straatsburg zich over de detentieomstandigheden tijdens de stakingen (cf het arrest Clasens van 28 mei 2019; voor een bespreking zie hier).

Met de wet van 23 maart 2019 werd uiteindelijk een gegarandeerde dienstverlening ingevoerd. Maar de wet beperkt zich niet daartoe: ze wil de organisatie moderniseren en integriteit bevorderen. Wat voorop staat, zo lezen we in de memorie van toelichting, is “…het streven naar een penitentiair personeelskader dat nog uitdrukkelijker zich als ambassadeur van de rechtsstaat gedraagt.” De beoogde hervorming is om die reden complementair aan de ambities die vervat liggen in de basiswet van 12 januari 2005: “De missie, de opdrachten, rechten en plichten van het penitentiair personeel dienen evenzeer een wettelijke verankering te krijgen die op een coherente wijze spoort met de bepalingen die het statuut van de gedetineerden regelen”. Om dit te realiseren voorziet de wet o.m. in de inrichting van een penitentiaire beleidsraad, een opleidingsdienst en een inspectie. Verder is er ook sprake van functiedifferentiatie, waarbij de klassieke functie van penitentiair bewakingsassistent ontdubbeld zou worden in detentiebegeleiders en veiligheidsassistenten (zie hierover “Een cipier moet meer zijn dan een bewaker“).

Gelet op de hervormingsambities van de wet was het beroep tot vernietiging ervan, dat ingesteld werd door een lid van de socialistische vakbond ACOD, niet zonder belang. We gaan hier niet in op alle elementen uit het 90 pagina’s-tellende arrest, maar geven de kern mee, zoals samengevat in het persbericht van het Grondwettelijk Hof:

“Het Hof oordeelt dat het optreden van de wetgever om de essentiële elementen van het statuut van de penitentiaire beambten (opdrachten, taken, rechten en plichten) te regelen, redelijk verantwoord is in het licht van het doel om de legitimiteit van de penitentiaire inrichting in haar geheel te versterken en de fundamentele rechten van de gedetineerden te verzekeren. Daarnaast is, volgens het Hof, het moraliteitsonderzoek ten aanzien van de kandidaten voor een ambt binnen de penitentiaire administratie niet strijdig met het recht op eerbiediging van het privéleven. Ten slotte oordeelt het Hof dat de minimale dienstverlening, zoals geregeld bij de wet van 23 maart 2019, niet leidt tot een onevenredige inmenging in het stakingsrecht, de sociale dialoog en het collectief overleg niet verhindert en de vakbondsvrijheid en het recht op collectief onderhandelen niet in wezen aantast”

Kortom, het Hof veegde alle argumenten van de verzoekende partij van tafel en dat is uiteraard een opsteker van formaat voor de architecten van de hervormingsoperatie. Maar gaat dit arrest iets veranderen?  Zijn de slaagkansen van de wet nu gevrijwaard? Daarvoor is meer nodig dan een wet of arrest: all that glitters is not Golder.  Twee decennia terug, in 2001, gaf professor Lieven Dupont ons het volgende antwoord, toen we hem vroegen naar de slaagkansen van het hervormingsproject, dat uiteindelijk uitmondde in de basiswet van 12 januari 2005:

“Zoals Herman Franke – die u in uw vraag citeert – heeft aangetoond zijn grote hervormingen in het gevangeniswezen in mindere mate afhankelijk van de goed bedoelde plannen of ideeën van hervormers, dan wel de resultante van grote verschuivingen in de samenleving. Ik denk dat het t.a.v. deze ‘ontmoedigende’ macro-sociologische analyse van de penitentiaire hervormingspraktijk wat overmoedig zou zijn als men zou denken met zijn eigen ideeën daar rechtstreekse invloed te kunnen op uitoefenen. Anderzijds kan het aanbrengen van nieuwe gedachten ook een katalysator zijn om bestaande determinanten in beweging te brengen of te kanaliseren en om een voedingsbodem te creëren voor verdere inworteling. M.a.w. oriënterende visies voor een hervorming of zelfs de juridische operationalisering hiervan alleen volstaan niet; ook contextuele randvoorwaarden moeten vervuld zijn voor de realisatie van een dergelijk project”  (voor de tekst van het interview, zie hier)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s