In zijn bekende essay over totale instituties legt de Canadese socioloog Erving Goffman (1961) uit dat werken in dergelijke instellingen – waartoe hij ook gevangenissen rekent – heel wat gelijkenissen vertoont met werken in andere omgevingen. De opslag van goederen, bijvoorbeeld, moet gebeuren in aangepaste klimatologische omstandigheden: een te hoge of te lage temperatuur kan nefast zijn voor de houd- of bruikbaarheid van de gestockeerde waren, zoals voeding of electronica. Dit geldt ook voor de huisvesting van mensen in totale instituties: leven in een te hete of te koude cel weegt op lichaam en geest.


Of nog: productieprocessen in fabrieken worden nauwgezet aan kwaliteitscontroles onderworpen. Van de aanvoer van grondstoffen tot de aflevering van eindproducten: een papier of digitaal spoor brengt elke stap in het traject in kaart. En ook hier ziet Goffman een treffende gelijkenis met totale instituties: van bij aankomst in de inrichting start een omvangrijk documentatie- en registratieproces. Beeld, bezittingen, biometrische data, leef- en ziektegeschiedenis, nachtmerries en dromen: alles wordt opgeslagen in een dossier dat verder aangroeit naarmate de opgeslotenen hun gang doorheen de instelling voortzetten. Michel Foucault (1975) betoogt dat nét daar, in dat proces van panoptische zichtbaarheid, de moderne criminologie en haar kennisobject – de criminele mens – ontstaat.

Maar mensenwerk in een totale instelling is toch ook anders dan werken met levensloze objecten: “Er is altijd het gevaar dat een opgeslotene menselijk zal lijken”, zo schrijft Goffman (p. 81). In weerwil van de objectiverende greep van de totale instelling – Goffman had het over processen van “zelf-mortificatie” en een aanslag op de persoonlijke identiteit – moeten ook “humane standaarden” als richtsnoeren fungeren voor het leven in de instelling. Technisch gezien zijn deze vaak onnodig want ze dienen ogenschijnlijk niet het doel van de instelling of kunnen de werking ervan zelfs bemoeilijken: vanuit het perspectief van de totale instelling is het nu eenmaal gemakkelijker om éénieder eenzelfde uniform te geven of systematisch naakt te fouilleren. Dit maakt mensenwerk in totale instellingen zo uitdagend: Goffman heeft het over “het onafgebroken conflict tussen humane standaarden aan de ene kant en institutionele efficiëntie aan de andere kant” (p. 78).

Mensenwerk in overbevolkte totale instituties
Over mensenwerk in totale instituties is de afgelopen decennia heel wat denkwerk verricht. Zo vertrekt de Nederlandse hoogleraar Constantijn Kelk (1983) nadrukkelijk vanuit het werk van Goffman om de rol van recht in totale instituties en de notie van het rechtsburgerschap uit te werken. In een Europese context werd een mensenrechtelijk kader uitgebouwd dat de rituelen die dergelijke instellingen beheersen, aan allerhande scenario’s onderwerpt. Dit keert ook terug in het centrale beginsel van de Belgische basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden: “Bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel dient vermijdbare detentieschade voorkomen te worden” (art. 6, §2). Of nog, in het normaliseringsbeginsel: “Life in prison shall approximate as closely as possible the positive aspects of life in the community” (Regel n° 5, European Prison Rules). Daarmee wordt verder invulling gegeven aan het aloude adagium van de negentiende-eeuwse Engelse gevangenishervormer Alexander Paterson: “men are sent to prison as a punishment not for punishment” (Potter 2022: p. 197).

Vanuit die optiek vormt opsluiting in overbevolkte omstandigheden een directe aanslag op dat mensenwerk in totale instituties; overbevolking bedreigt het continue streven naar een evenwicht tussen de “humane standaarden” en “institutionele efficiëntie”. Gevangenen krijgen te maken met bijkomende ontberingen en deprivaties die geen verband houden met de straf of maatregel: krapte in levensruimte, gebrek aan privacy, beperkingen in toegang tot basisvoorzieningen, activiteiten, gezondheidszorg, …


Het gaat daarenboven om vermijdbare ontberingen en deprivaties; de gevolgen van overbevolking zijn immers niet onlosmakelijk aan de straf of maatregel verbonden. De wetgever heeft nooit gesteld – en de rechter heeft nooit gewild – dat de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel plaatsgrijpt in overbevolkte cellen. Integendeel: opsluiting zal gebeuren – dura lex, sed lex – “…in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen” (Basiswet, art. 5, §1).

Functie van noodwetten
“Het blijft schrikbarend”, zo schreven we een tijdje terug, “ …hoe we de overbevolking als een vanzelfsprekendheid zijn gaan beschouwen en de gevangeniscapaciteit stelselmatig en kunstmatig opgevoerd hebben door stapelbedden, noodbedden en matrassen aan te slepen in veel te kleine cellen” (Daems 2024). Soms lijkt het alsof de overbevolking wat weg heeft van een sneeuwbal, die door decennialang wanbeleid is aangedikt tot onbeheersbare en levensbedreigende proporties. Zovelen hebben boter op het hoofd: het probleem kan dan ook enkel maar in een verre toekomst – en alzeker niet binnen één legislatuur – opgelost geraken, zo wordt wel eens gesteld.

Maar tegelijkertijd klinkt ook luid protest, binnen alle geledingen, van PB tot DG. De twee noodwetten tegen de overbevolking bieden echter geen soelaas omdat er geen ondubbelzinnig beleid tegen de overbevolking wordt gevoerd: “Ondanks de wil om te breken met het roekeloze strafuitvoeringsbeleid van de vorige regering, lijkt ook de huidige regering gebiologeerd door de strijd tegen de vermeende straffeloosheid” (Daems 2025).


Dit proces is herkenbaar: het doet terugdenken aan de bekende studie van de Noorse rechtssocioloog Vilhelm Aubert (1966) over de wet op het huishoudelijk personeel, die in 1948 gestemd werd in Noorwegen. Die wet moest de werkomstandigheden van de dienstmeisjes verbeteren, onder meer door de arbeidstijd in te perken tot tien uur per dag, inclusief de tijd om te eten. Het effect van de wet bleef echter uit: waar liep het mis?


De wet was een compromis, de resultante van twee tegengestelde krachten. Aan de ene kant wilde de wetgever zijn “serieuze bedoelingen” tonen door de wet “tanden te geven” en met sancties te dreigen. Dat moest vooral diegenen geruststellen die de hervormingsfunctie van de wet benadrukten en het opnamen voor de dienstboden. Maar aan de andere kant konden de huisbazen op hun beide oren slapen: de strafbepaling was inefficiënt en zou wellicht nooit toegepast worden. “De inhoud van de wet is geheel ten gunste van de huishoudelijke hulpen, terwijl de procesregels de huisvrouwen beschermen”, zo stelde Aubert. En hij vervolgde: “Het idee van wetshandhaving is in ere gehouden, terwijl zij in praktijk zonder effect blijft” (1966: p. 66).


De Noorse wet slaagde er in om “groepsconflicten” op te lossen. Dat was haar belangrijkste verdienste, aldus Aubert. De noodwetten tegen de overbevolking vervullen een gelijkaardige, latente functie: de wetten blijken vooral dienstig om de “groepsconflicten” – in dit geval binnen de federale coalitie – te verzachten. En net zoals de dienstmeisjes in Noorwegen blijven ook de grondslapers in België in de kou.

Degradatierituelen
Vrijheidsberoving zet mensen letterlijk ‘op hun plaats’. De straf of maatregel degradeert de persoon: de persoon verandert in status. Maar wanneer die vrijheidsberoving vervolgens plaatsgrijpt in omstandigheden waarvan wij allen weten dat deze mensonwaardig zijn, dan ondergaat de betrokkene eigenlijk een tweede degradatieproces: de buitenwereld is van mening dat, om welke reden dan ook, hij of zij een dergelijke behandeling moet ondergaan. We sluiten de persoon niet enkel op: we doen dat bijkomend in omstandigheden die de basiswet met de voeten treden. Nergens is die tweede vorm van degradatie zo tastbaar en invoelbaar als bij de figuur van de grondslaper: lager kan de afvallige niet vallen.

Dit tweede degradatieritueel heeft daarenboven een publiek karakter gekregen: de afgelopen jaren boden talloze fotoreportages, getuigenissen en TV-beelden inkijk in de overbevolkte cellen van ons land. Het hoogtepunt tot dusver was het opmerkelijke bezoek van de Koning op 9 juni 2026 aan de zwaar overbevolkte gevangenis van Antwerpen.


Op het eerste zicht lijkt hier sprake van een opmerkelijke parallel met het eerste degradatieritueel: in de rechtbank is openbaarheid een belangrijk beginsel. Maar schijn bedriegt: terwijl de openbaarheid bij het eerste degradatieritueel toelaat om de rechterlijke macht te controleren en dus de burger beschermt tegen willekeur, lijkt dit niet aan de orde bij het tweede degradatieritueel. De Koning bracht wel een bezoek, maar een koninklijke genade bleef onbespreekbaar. Het bezoek onderstreept vooral de waardevolle les van Vilhelm Aubert: verwar nooit doel en functie van een wet.

Deze tekst verscheen op 28 september 2026 in de bundel La prison humiliante – De gevangenis die vernedert. Het e-boek is vrij te raadplegen op de website van CTRG via deze link.

Literatuur:
Aubert, V. (1966/1971). Enkele sociale functies van wetgeving. In: Proeven van rechtssociologie uit het werk van Vilhelm Aubert, Universitaire Pers Rotterdam, 46-74.

Goffman, E. (1961). Asylums: Essays on the social situation of mental patients and other inmates. New York: Anchor Books.


Daems, T. (2024). Gedetineerden, het zijn net mensen, De Standaard, 28 maart,
https://tomdaems.com/2024/03/31/gedetineerden-het-zijn-net-mensen/


Daems, T. (2025). Deze noodwet leidt niet tot minder gevangenen, maar andere, De Standaard, 14 juli, https://tomdaems.com/2025/07/16/deze-noodwet-leidt-niet-tot-minder-gevangenen-maar-andere

Foucault, M. (1975). Surveiller et punir. Gallimard.


Kelk, C. (1983). Recht voor geïnstitutionaliseerden. Gouda Quint.


Potter, H. (2022). Alexander Paterson: Prison Reformer. The Boydell Press.

Leave a comment